Garantie tot de voordeur

18 mei 2016 mr. Tian Herstel | JPR Advocaten | Advocatuur

Bij het aangaan van verplichtingen namens een onderneming wordt in toenemende mate aan de ondernemer gevraagd om zijn commitment te onderstrepen. Dat kan zich voordoen bij het aangaan van een financiering of een langdurige verbintenis. In financieringsovereenkomsten met banken vragen zij vaak aan de ondernemer om ook in privé mee te tekenen voor de zakelijke verplichtingen. Indien de ondernemer een dergelijke verplichting aangaat, kan dat zijn privéfinanciën in aanzienlijke mate aantasten. Als de ondernemer gehuwd is dan wordt de echtgenoot door de wet beschermd. Onder bepaalde voorwaarden zal de echtgenoot moeten meetekenen. Als dat niet gebeurt, is de garantie waardeloos. De ratio achter de wettelijke regeling is het beschermen van de financiën van het gezin tegen ondernemersrisico’s van een der echtelieden.

Indien de garantie binnen de wettelijke bepaling valt, zal de echtgenoot met het afgeven van de garantie moeten instemmen. Artikel 88 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat toestemming van de echtgenoot vereist is voor rechtshandelingen die voldoen aan de volgende omschrijvingen:

  • Verkoop of bezwaring (met bijvoorbeeld hypotheek) van de echtelijke woning;
  • Verstrekken van (bovenmatige) giften;
  • Overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een derde verbindt;
  • Overeenkomsten van koop op afbetaling.

In het geval van een garantie gaat het om het derde aandachtsstreepje. Indien de toestemming niet is gevraagd en dus ook niet is gegeven dan bestaat op grond van artikel 89 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek de mogelijkheid voor die echtgenoot om de betreffende rechtshandeling te vernietigen. De garantie is in dat geval waardeloos. Onder hetzelfde aandachtsstreepje is een belangrijke uitzondering vervat: namelijk dat de rechtshandeling is aangegaan ‘anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf’. Dat betekent dat beoordeeld moet worden of de overeenkomst waarvoor de garantie wordt afgegeven in de normale bedrijfsuitoefening valt. De logica achter deze uitzondering is helder: als de ondernemer-echtgenoot voor elke garantie die hij afgeeft langs zijn echtgenoot moet voor toestemming kan dat onwerkbaar worden. De wetgever heeft bedoeld het gezin van de ondernemer te beschermen tegen risico’s waarmee normaal gesproken niet gerekend hoeft te worden. De bepaling heeft aanleiding gegeven tot veel gerechtelijke procedures.

Onlangs heeft de rechtbank in Den Haag een uitspraak gewezen waarin de wettelijke regeling weer eens duidelijk uiteen is gezet. De situatie betrof een privépersoon die een garantie gaf ten behoeve van de verhuurder van zakelijk onroerend goed. De rechtbank oordeelt in eerste instantie dat het aangaan van een huurovereenkomst – hoewel geen dagelijkse praktijk in een onderneming – valt binnen de normale uitoefening van het bedrijf. De persoon die de garantie had afgegeven, was echter geen aandeelhouder van de onderneming die de huurovereenkomst had gesloten. Op grond van (onder meer) deze bijzondere omstandigheid oordeelde de rechtbank dat de afgegeven garantie binnen de wettelijke omschrijving viel en de echtgenoot dus toestemming had moeten geven. De echtgenoot heeft de garantie terecht vernietigd. Daarmee was die garantie van tafel.

Hieruit blijkt hoe belangrijk het is om al bij het tot stand komen van dit soort garanties goed te (laten) beoordelen of sprake is van toestemmingsvereiste. De grenzen zijn niet altijd even helder.

Wilt u in contact komen met mr. Tian Herstel of wilt u zijn overige columns lezen? Kijk dan op zijn eigen columnisten pagina.